De zon wierp haar laatste gouden stralen toen de pelgrim zijn schoenen knoopte. Voordat de horizon hem definitief zou roepen, boog hij af naar de stilte. Daar lag het graf, een herinnering aan een leven dat ooit de wereld had geraakt.
Toen zijn vingers het koele, ruwe gesteente raakten, gebeurde er iets wonderbaarlijks. De onrust over de duizend mijlen die voor hem lagen, viel van hem af als een oude mantel. Een diepe, hemelse gemoedsrust daalde over hem neer; een stilte die niet uit de wereld kwam, maar van boven.
Zijn ogen rustten op het eenvoudige grafschrift dat op de steen te lezen stond: ”Wees goed voor elkaar”.
Deze woorden waren geen gebod, maar een belofte. Gedragen door dit teken richtte hij zijn rug. De pelgrim besefte dat hij niet alleen reisde. Elke ontmoeting, elke beproeving en elke vreemdeling op zijn pad zou hij tegemoet treden met de zachtheid die hij hier had gevonden. Met een hart vol vertrouwen en de rust van de Eeuwige in zijn ziel, zette hij zijn eerste stappen in het onbekende. Hij was er klaar voor.
“Wees goed en vriendelijk voor elkaar. Vergeef elkaar, net zoals God jullie in Christus heeft vergeven.” – Efeziërs 4:32