Langs de oevers van een rimpelloze rivier, waar het riet zacht boog in de wind, ontmoette een pelgrim twee reizigers.
De pelgrim, die zojuist de schaduw van een nabijgelegen klooster had verlaten, herkende hun dorst. Met een armgebaar wees hij terug naar de stenen muren die hij net was gepasseerd.
Er volgde een kort maar heilig onderhoud, gedragen door een universeel verstaan, met een betekenis helder als kristal. In de blik van de reizigers las hij dankbaarheid, en met krachtige handgebaren moedigden zij hem aan voor de lange weg die nog in het verschiet lag.
Na een laatste zegenende groet vervolgde de Pelgrim zijn weg, gesterkt door het besef dat geen mens een vreemde is wanneer men wandelt aan de rivier van Gods genade.
“Dan zal ik de lippen van de volken zuiver maken, zodat zij allen de naam van de Heer zullen aanroepen en hem schouder aan schouder zullen dienen.” – Zefanja 3:9