Na een aantal slopende wandeldagen spoedde de pelgrim zich met bestoft kleed naar de splitsing van de weg. De zon stond bovenaan de hemel en de streekbus trok reeds ronkend op. Met zijn laatste krachten wierp de wandelaar zijn armen ten hemel; hij maakte grote gebaren om de aandacht van de chauffeur te trekken.
Zie, de wagen kwam met een zacht gesis tot stilstand. De deuren openden zich als poorten van barmhartigheid. De pelgrim stapte in en greep naar zijn beurs. “Heer, wat is de prijs van een ticket?” vroeg hij buiten adem.
De chauffeur sprak niet, maar wenkte hem met een minzaam gebaar naar binnen. Verbaasd zocht de pelgrim een plek. Bij de volgende halte drong hij echter opnieuw aan: “Heer, wat ben ik u schuldig?”
De chauffeur schudde het hoofd; betalen was niet nodig. Behoedzaam nam de pelgrim weer plaats. Terwijl de vruchtbare velden aan hem voorbijtrokken, zon hij op de goedheid van de weg. Zo reisde hij verder, niet door betaling, maar door genade alleen.
”Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God.” – Efeziërs 2:8